Niet horen maar gehoord worden
Over psychische hulpverlening aan doven en slechthorenden
Lieke Doornkate (GZ-psycholoog/psychotherapeut) en Jeantine Janse (gedragstherapeut) specialiseren zich in de psychische hulpverlening aan doven en slechthorenden, zowel bij PsyDoN, de afdeling doven van Arkin, als in hun eigen praktijk. Het duo Doornkate en Janse, de eerste horend, de tweede doof, verzorgt komend najaar bij de RINO twee cursussen over cognitieve gedragstherapie aan doven en slechthorenden.

Soms lijkt het uitbeelden en visualiseren in gebarentaal omslachtig, maar de nadruk op de handeling, en de ervaring, kan het proces juist ook versnellen.
"Ben je bekend met het communiceren via een tolk?" Deze vraag, uitgesproken door tolk Nederlandse Gebarentaal Petra, opent het gesprek met Lieke Doornkate en Jeantine Janse op tekenende wijze: hoewel de tolk de woorden uitspreekt, is de vraag afkomstig van Jeantine. Via Petra zullen we het hele gesprek voeren, legt Janse uit. Het is de bedoeling dat de tolk 'genegeerd' wordt; ze neemt geen deel aan het gesprek en heeft geheimhoudingsplicht. Als je met Jeantine Janse praat, kijkt ze je vaak niet recht aan maar richt zich op de gebaren van de tolk. Wel is het voor haar prettig als je naar haar kijkt. "Doven zijn getraind om zich op een breed zichtveld te richten", vertelt ze. "Daarom is het erg prettig als de tolk naast jou zit. Ik bekijk zowel de gebarenvertaling als jouw gezichtsuitdrukking en houding."
Localiseren, visualiseren en communiceren
De communicatie met een dove of slechthorende is vaak even wennen voor wie het voor het eerst meemaakt. Niet voor niets komen miscommunicaties en onbegrip veel voor, zowel op de werkvloer als in privésituaties. Je hebt immers te maken met een visuele taal en andere sociale en communicatieve regels waardoor iedereen een enorme extra vertaalslag moet maken. En daarbij komt dat de taal- en woordkennis van de meeste doven beperkter is dan die van horenden. Doornkate, sinds begin jaren negentig actief in de doven-GGZ, vertelt dat aanvankelijk de gesprekken vaak stroef verliepen, doordat ze veel te lange zinnen maakte. “Ja, dan ga je dit proberen aan te passen. Kortere zinnen maken, ‘gewone’ woorden gebruiken...”
“Vooral conceptuele of abstracte termen zijn voor doven lastig. Als je bijvoorbeeld zegt, ‘je inleven of verplaatsen in een ander’; daar snapt een dove niets van,” legt Janse uit. Toch zijn dergelijke begrippen vaak essentieel in de communicatie. “Daarom gebruiken we bijvoorbeeld de ‘meer-stoelentechniek’.” Ze doet even voor tegen Doornkate: “Oké, je baas heeft zus en zo gezegd, goed. Ga nu maar op de andere stoel zitten. Nu ben je díe persoon.’” Het hele gezelschap lacht om haar hevige gebaren en mimiek om dit duidelijk uit te leggen. Ook dat is belangrijk volgens de dames: door humor te gebruiken, of te durven lachen om vergissingen en miscommunicaties, kom je dichter bij elkaar en kun je wat gewicht afhalen van zo’n situatie.
Eigenlijk bestond er nog niets toen we begonnen. We hebben echt het wiel moeten uitvinden - en moeten boksen voor ruimte en aandacht voor deze specifieke tak van zorgverlening.
Doornkate: “Zoals je ziet is gebarentaal vaak heel rijk, omdat je localiseert. Je bent gedwongen concepten daadwerkelijk een vorm en een plaats in de ruimte te geven. Soms lijkt het uitbeelden en visualiseren omslachtig, maar de nadruk op de handeling, en de ervaring, kan het proces juist ook versnellen.”
Met vallen en opstaan
Het duo Doornkate en Janse heeft veel voor elkaar gekregen in de psychische hulpverlening aan doven en slechthorenden. Het feit dat een dove en een horende zo goed samenwerken heeft een voorbeeldfunctie, merken ze. “We zijn als het ware ieder vertegenwoordiger van onze eigen gemeenschap; van de horende en de dove wereld,” zegt Janse. “Daarbij ben ik ervaringsdeskundige: 95% van de doven groeit op in een horend gezin, net als ik.” Ze lacht: “Alles wat we hebben ontdekt en ontwikkeld, heb ik dan ook op mezelf en mijn omgeving kunnen toepassen. En dat helpt vervolgens weer bij het verfijnen van een therapie.”
Als enige geregistreerde dove gedragstherapeut in Nederland, is Janse echt een pionier onder doven. Tegen de maatschappelijke norm en de adviezen in, ontwikkelde ze zich in de loop van de jaren tachtig in het sociale beroep van maatschappelijk werkster, en werd bijvoorbeeld actief als woordvoerder voor een belangenbehartigingsorganisatie van, voor en door doven in Nederland. “Ik kreeg altijd veel meelevende reacties door mijn doofheid. Het kan prettig zijn als mensen rekening met je houden, maar ik werd er ook rebels van.”
Doornkate vertelt dat de meeste doven vroeger hun schooljaren doorbrachten op één van de vijf doveninstituten in Nederland. “En dan alleen in de zomer naar de familie. Dit leidde tot beruchte verhalen over kinderen die met een bordje om hun nek de trein uit stapten, en families die hun kind nauwelijks herkenden en per ongeluk het verkeerde dove kind meenamen om de zomervakantie thuis door te brengen.”
We zijn als het ware vertegenwoordigers van onze eigen gemeenschap. Daarbij ben ik ervaringsdeskundige: alles wat we hebben ontdekt en ontwikkeld, heb ik dan ook op mezelf kunnen toepassen!
Doornkates interesse in gebarentaal en de communicatie met en van doven werd geboren toen ze twee dove mensen door een raam heen met elkaar zag communiceren. Ze raakte geïntrigeerd en begon naast haar studie psychologie aan een cursus gebarentaal. Via Henk Ras en Yvette van der Pas raakte ze betrokken bij het opzetten en ontwikkelen van psychische hulpverlening aan doven en slechthorenden. De RINO Noord-Holland was indertijd nauw betrokken bij die ontwikkelingen.
Deze periode was het begin van de samenwerking tussen Doornkate en Janse. Met een klein, enthousiast team zijn ze vanaf begin jaren negentig bezig met de ontwikkeling van psychische zorgverlening aan doven in Amsterdam. Met vallen en opstaan. “Kort gezegd; eigenlijk bestond er nog niets,” vertelt Doornkate. “We hebben echt het wiel moeten uitvinden. En moeten boksen voor ruimte en aandacht voor deze specifieke tak van zorgverlening in de reguliere hulpverlening.”
Complexe doelgroep
Doven hebben een vier keer zo groot risico op psychologische problemen als horenden. Eenzaamheid of isolement, in combinatie met (opgekropte) angstgevoelens en frustratie, spelen bijna altijd een rol. Daar bovenop heb je nog te maken met een informatieachterstand en de beperktere conceptuele en taalcapaciteit. Doven, slechthorenden en laat-doven hebben allen een andere problematiek, die specifieke aandacht, aanpak en attitude in de psychische zorg behoeft.
“Er zit een enorme tragiek in de persoonlijke verhalen die je tegenkomt,” vertelt Doornkate. Ze geeft het voorbeeld van het dove meisje dat vertelde dat ze seksueel misbruikt was: seksueel misbruik komt relatief veel voor onder doven, en haar verhaal werd dan ook direct serieus genomen. “Het meisje zelf bleek een beetje verbaasd door de reacties; voorzichtig gaf ze aan dat ze het eigenlijk zelf wel prettig had gevonden... Toen bleek dat ze een verkeerde term had gebruikt: ze had het concept ‘seksueel misbruik’ opgevat als de term voor een eerste seksuele ervaring!”
Dit mag luchtig lijken, het onbegrip en de miscommunicatie kunnen schrijnende gevolgen én oorzaken hebben. Volgens Doornkate is dit een goed voorbeeld van de complexiteit waar je mee te maken hebt in de psychische zorg aan doven. “De doelgroep dreigt altijd een beetje buiten de boot te vallen, zeker in het kader van DBC’s en krappe budgettering. Psychische zorg aan doven en slechthorenden verloopt langzamer en duurt langer, door de informatieachterstand en de communicatieslagen. Daarbij is de doelgroep heel ingewikkeld, en heb je bijna altijd te maken met meerdere, complex gerelateerde diagnoses.”
Buiten de gebaande paden
Door hun betrokkenheid bij de ontwikkeling en opbouw van de psychische zorg voor doven, zijn Janse en Doornkate gewend om zich niet te laten afschrikken door sceptische eerste reacties uit de omgeving. “We zijn niet bang om dingen uit te proberen. Je moet juist je creativiteit laten werken.”
Soms lijkt het uitbeelden en visualiseren in gebarentaal omslachtig, maar de nadruk op de handeling, en de ervaring, kan het proces juist ook versnellen.
Doornkate: “Veel gebruikelijke technieken zijn niet goed toepasbaar op het werk met doven en slechthorenden. Je bouwt meer op het visuele en minder op taal. Dan is het belangrijk buiten de gebruikelijke patronen te durven denken, om op alternatieven te komen.”
Zo hebben ze bijvoorbeeld goede resultaten geboekt met diverse cognitieve technieken, zoals imaginaire rescripting. Hiervan werd aanvankelijk gedacht dat het niet bruikbaar was in de dovenhulpverlening. Bij deze techniek laat men de cliënt met de ogen gesloten een nare situatie uit het verleden herbeleven en omvormen. “Wij zijn toch aan de slag gegaan met dove cliënten, en het bleek dat het heel goed kan werken: doven blijken met ogen open hun blik zowel op het interne beeld als op de gebaren te kunnen richten,” aldus Doornkate.
Ook Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR) is zo’n voorbeeld – de traumaverwerkingstechniek die zich baseert op het telkens ompolen van de aandacht van links naar rechts (bijvoorbeeld door met de vinger heen en weer te bewegen voor het gezicht van de cliënt). De gebruikelijke koptelefoons werden voor dove en slechthorende cliënten vervangen door kussentjes met trillingen. Dit succes in traumaverwerking is extra belangrijk, omdat deze doelgroep zoveel te maken krijgt met traumatische ervaringen als verwaarlozing, buitensluiting en verlies van sociale en maatschappelijke waarde.
De twee zijn enthousiast om in de aankomende Rino-cursussen dergelijke ervaring en kennis te delen en over te dragen. Doornkate: “De nadruk op andere zintuigen en ervaring zal duidelijk aanwezig zijn. Een aantal ontwikkelde technieken kan ook bij andere, minder talige doelgroepen veel succes boeken, bijvoorbeeld bij allochtone cliënten, of cliënten met cognitieve of verstandelijk beperkingen.” Gebarend valt Janse haar in de rede: “Daarbij is creativiteit gewoon ontzettend belangrijk. Met het doel van de technieken voor ogen, moet je buiten de kaders durven denken, én doen!”
